| Voorstelling | ||
1. Inleiding De rechtspleging voor het Grondwettelijk Hof heeft een hoofdzakelijk schriftelijk en tegensprekelijk karakter. De procedures voor de beroepen tot vernietiging en de prejudiciële vragen zijn grotendeels gelijkaardig, behalve uiteraard wat betreft de wijze waarop de zaken worden ingediend en de gevolgen van de arresten. De rechtspleging voor het Hof wordt geregeld in de bijzondere wet van 6 januari 1989 en in de richtlijnen van het Hof betreffende de rechtspleging. Die teksten vindt u op deze webstek onder de rubriek 'basisteksten'. Elke zaak wordt in beginsel toegewezen aan een zetel van zeven rechters, volgens een complex beurtrolsysteem. De eerste rechters van elke taalgroep, aangewezen voor de zaak, treden op als verslaggevers. Het Hof kan in voltallige zitting de zaken samenvoegen die betrekking hebben op dezelfde norm waarover in een en hetzelfde arrest uitspraak moet worden gedaan. Om overbelasting tegen te gaan, is een schiftingsprocedure ingericht om bepaalde zaken met een korte rechtspleging af te handelen. Zaken die manifest niet-ontvankelijk zijn of klaarblijkelijk niet tot de bevoegdheid van het Hof behoren, kunnen door een 'beperkte kamer' met de voorzitter en de twee rechters-verslaggevers worden afgewezen. Ook beroepen die klaarblijkelijk ongegrond zijn, prejudiciële vragen die klaarblijkelijk negatief moeten worden beantwoord evenals zaken die kunnen worden afgehandeld met een 'arrest van onmiddellijk antwoord' (vanwege de aard van de zaak of de relatieve eenvoud van de erin opgeworpen problemen), kunnen worden beslecht (door een gewone zetel) na een schriftelijke procedure waarbij in beginsel enkel de verzoekende partijen of de partijen in het geding voor de verwijzende rechter worden betrokken. De overheden die normaliter automatisch van alle zaken op de hoogte worden gebracht, worden niet in deze voorafgaande rechtspleging betrokken, tenzij wanneer de rechters-verslaggevers in hun conclusies aan het Hof voorstellen een arrest te wijzen dat de schending van de Grondwet door de betwiste norm vaststelt. 2. Onderzoek
De partijen hebben het recht het dossier over de zaak met alle overtuigingsstukken en procedure-elementen ter griffie in te kijken. Het Hof kan zelf uitgebreide onderzoeksmaatregelen bevelen om bijkomende gegevens te verwerven en, onder andere, partijen of andere personen en instanties horen. Na verloop van de tijd nodig voor het uitwisselen van de memories en voor het onderzoek door de rechters-verslaggevers en hun referendarissen, beoordeelt het Hof of de zaak klaar is om gepleit te worden. In de zogenaamde 'beschikking tot ingereedheidbrenging' wordt het tijdstip van de terechtzitting bepaald en worden eventuele vragen vermeld. Alle partijen die een memorie hebben ingediend, worden hiervan in kennis gesteld, samen met een schriftelijk verslag van de rechters-verslaggevers waarin, in voorkomend geval, wordt gewezen op de vragen die hen nog zouden kunnen worden gesteld. 3. Terechtzitting
4. Uitspraak
|
||||||||||||||