Voorstelling

Situering van het Grondwettelijk Hof

1. Oprichting van het Arbitragehof

        Het ontstaan van het Grondwettelijk Hof kadert in de ontwikkeling van de Belgische eenheidsstaat tot een federale Staat.

        Sinds 1970 is de unitaire Belgische Staat grondig hervormd. Die hervorming, die in verschillende fasen is verlopen, resulteerde in de totstandkoming van een federale Staat waarin de wetgevende macht is verdeeld tussen de federatie en de deelgebieden, volgens een systeem waarbij elke wetgever over exclusieve bevoegdheden beschikt. De wetten van de federatie en de decreten en ordonnanties van de deelgebieden hebben dezelfde rechtskracht.

        De verdeling van de wetgevende bevoegdheid tussen verschillende wetgevende vergaderingen bracht het risico van bevoegdheidsconflicten met zich en de noodzaak om daarvoor een oplossing te zoeken, heeft ertoe geleid dat de Grondwetgever in 1980 heeft besloten – in het toenmalige artikel 107ter van de Grondwet een nieuw rechtscollege, het Arbitragehof, op te richten, dat als taak kreeg de grenzen van eenieders bevoegdheid af te bakenen. Daartoe kon het Hof wetten, decreten en ordonnanties toetsen aan de bevoegdheidsregels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgelegd.

        De voormelde grondwetsbepaling werd uitgevoerd door de wet van 28 juni 1983, die de samenstelling, de bevoegdheid en de werking van het nieuwe rechtscollege concretiseerde. Het Arbitragehof werd plechtig geïnstalleerd in de Senaat op 1 oktober 1984. Op 5 april 1985 wees het zijn eerste arrest.

2. Van Arbitragehof tot Grondwettelijk Hof

        Bij de grondwetsherziening van 15 juli 1988 werd de bevoegdheid van het Hof uitge­breid tot het toezicht op de naleving van de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet die het gelijkheidsbeginsel, het discriminatieverbod en de rechten en vrijheden inzake onderwijs waarborgen.

        Bij dezelfde grondwetsherziening van 1988 is het aan de bijzondere wetgever overgelaten om de bevoegdheid van het Arbitragehof uit te breiden tot de toetsing aan andere grondwetsbepalingen. Van die mogelijkheid is tot op heden tweemaal gebruikgemaakt : de bijzondere wet van 9 maart 2003 breidt de bevoegdheid van het Hof uit tot alle bepalingen van titel II van de Grondwet, die de rechten en vrijheden betreffen (de artikelen 8 tot en met 32), alsook tot de artikelen 170 (het wettigheidsbeginsel in fiscale zaken), 172 (gelijkheidsbeginsel in fiscale zaken) en 191 (de bescherming van de vreemdelingen) van de Grondwet; de bijzondere wet van 6 januari 2014 breidt die bevoegdheid voorts uit tot artikel 143, § 1 (het beginsel van de federale loyauteit) van de Grondwet.

        Bij de coördinatie van de Grondwet in 1994 werd de bepaling over het Arbitragehof overgenomen in artikel 142.

        Bij de grondwetsherziening van 7 mei 2007 werd de benaming van het Arbitragehof gewijzigd in die van « Grondwettelijk Hof ».

3. (Grond)wettelijke fundamenten

        Volgens het huidige artikel 142, eerste lid, van de Grondwet bestaat er voor geheel België een Grondwettelijk Hof, waarvan de samenstelling, de bevoegdheid en de werking door de wet worden bepaald. Het Hof doet bij wege van arrest, uitspraak over bevoegdheidsconflicten, over de schending van de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet en over een schending van de artikelen van de Grondwet die de wet bepaalt (de artikelen van titel II van de Grondwet alsook de artikelen 143, §1, 170, 172 en 191). Een zaak kan bij het Hof aanhangig worden gemaakt door iedere bij wet aangewezen overheid, door ieder die doet blijken van een belang of, prejudicieel, door ieder rechtscollege.

        Artikel 142 van de Grondwet is uitgevoerd bij de (herhaaldelijk gewijzigde) bijzondere wet van 6 januari 1989, die de inrichting, de bevoegdheid, de werking, de rechtspleging van het Hof en de gevolgen van zijn arresten regelt. Een (gewone) wet van 6 januari 1989 regelt de wedden en pensioenen van de rechters, de referendaris­sen en de griffiers van het Hof.

        Bij de grondwetsherziening van 6 januari 2014 is de bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof uitgebreid tot de preventieve toetsing van de gewestelijke volksraadplegingen en tot de toetsing van de beslissingen van de Kamer van volksvertegenwoordigers of van haar organen betreffende de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezing van die wetgevende vergadering. Die nieuwe bepalingen werden uitgevoerd door twee bijzondere wetten van 6 januari 2014, die de bijzondere wet van 6 januari 1989 hebben gewijzigd.

         Ten slotte zijn er verschillende koninklijke besluiten, reglementen van orde en richtlijnen die betrekking hebben op verschillende aspecten van de bevoegdheid en de werking van het Hof.

         Al deze teksten zijn op de webstek van het Grondwettelijk Hof beschikbaar onder de rubriek « basisteksten » (www.const-court.be).


Laatst bijgewerkt op 1 augustus 2014.