Basisteksten

Organieke wetten


Wet van 6 januari 1989 betreffende de wedden en pensioenen van de rechters, de referendarissen en de griffiers van het Grondwettelijk Hof

Laatst bijgewerkt op 8 maart 2010.

Art. 1. De wedden van de rechters en van de referendarissen van het Grondwettelijk Hof worden bepaald als volgt:

Voorzitter: de wedde van de Eerste voorzitter van het Hof van Cassatie;

Rechter: de wedde van de advocaten-generaal bij het Hof van Cassatie;

Referendaris: de bezoldigingsregeling die van toepassing is op de leden van het coördinatiebureau van de Raad van State.

De artikelen 360, 361, 362, 363, 365 en 377 van het Gerechtelijk Wetboek zijn mede van toepassing op de rechters van het Grondwettelijk Hof. Voor de toepassing van artikel 365, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek komt de duur van het parlementair mandaat in aanmerking bij de berekening van de anciënniteit.

De referendarissen genieten gedurende de stageperiode van drie jaar, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de bijzondere wet op het Grondwettelijk Hof, de bezoldigingsregeling van de adjunct-referendarissen van de Raad van State; gedurende de tien daaropvolgende jaren genieten zij de bezoldigingsregeling van de referendarissen; na het dertiende jaar volgend op hun benoeming genieten zij de bezoldigingsregeling van de eerste referendarissen.

Art. 2. De griffiers van het Grondwettelijk Hof genieten dezelfde bezoldigingsregeling als deze die in artikel 1, eerste en derde lid, van toepassing is verklaard op de referendarissen.

Art. 3. De artikelen 391, 392, 393, 395, 396 en 397 van het Gerechtelijk Wetboek zijn mede van toepassing op de rechters van het Grondwettelijk Hof, op de referendarissen en op de griffiers.

Voor de toepassing van deze artikelen wordt met de duur van het parlementair mandaat rekening gehouden bij de berekening van de in aanmerking genomen ambten.

Art. 4. De rechters van het Grondwettelijk Hof worden in ruste gesteld wanneer zij wegens zware en blijvende gebrekkigheid niet meer in staat zijn hun ambt naar behoren te vervullen of wanneer zij de leeftijd van zeventig jaar hebben bereikt.

De voorzitters en rechters van het Grondwettelijk Hof die hun ambt uitoefenen krachtens artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, genieten hun wedde overeenkomstig de bepalingen vastgesteld in deze wet, en niet hun pensioen.

Art. 5. De referendarissen, de griffiers en de leden van het administratief personeel worden in ruste gesteld, wanneer zij wegens zware en blijvende gebrekkigheid niet meer in staat zijn hun ambt naar behoren te vervullen of wanneer zij de leeftijd van vijfenzestig jaar hebben bereikt.

Art. 6. De algemene wet op de burgerlijke pensioenen is mede van toepassing op de leden van het administratief personeel.

Art. 7. De leden van het administratief personeel die op 24 augustus 1968 administratieve of gerechtelijke diensten vervulden die in aanmerking komen voor een rustpensioen ten bezware van de Openbare Schatkist, maar die, op de leeftijd van volle vijfenzestig jaar, niet de wettelijke dienstvoorwaarden vervullen om dat pensioen te verkrijgen, worden in disponibiliteit gesteld volgens dezelfde regeling als die voor het Rijkspersoneel, tenzij wanneer zij, overeenkomstig de bepalingen van artikel 4, § 4, tweede en derde lid, van de wet van 5 augustus 1968 tot vaststelling van een zeker verband tussen de pensioenstelsels van de openbare sector en die van de particuliere sector, om de toepassing van artikel 4, § 1 en § 2, van dezelfde wet verzoeken.

Art. 8. De Koning kan het emeritaat verlenen aan de rechters van het Grondwettelijk Hof in functie op de datum van de inwerkingtreding van deze wet, zelfs indien zij niet in de bij artikel 4 van deze wet vastgestelde voorwaarden mochten verkeren, zonder evenwel hieraan geldelijke gevolgen te verbinden.

Art. 9. In artikel 3, § 3, eerste lid, 2°, van de wet van 5 april 1955 inzake de wedden van de ambtsdragers bij de Raad van State, gewijzigd door de wetten van 3 juni 1971 en 2 augustus 1974, worden tussen het woord "magistratuur" en de woorden "als professor" ingevoegd de woorden "het ambt van referendaris bij het Arbitragehof inbegrepen".

Art. 10. Worden opgeheven:

1° de artikelen 31 tot 34 en 112 van de wet van 28 juni 1983 houdende de inrichting, de bevoegdheid en de werking van het Arbitragehof;

2° de artikelen 1 tot 4 van de wet van 2 februari 1984 betreffende de wedden van de leden, de referendarissen en de griffiers van het Arbitragehof, hun voordracht en benoeming, evenals de smaad en het geweld tegen de leden van dit Hof.