Basisteksten

Organieke wetten


BIJZONDERE WET VAN 6 JANUARI 1989 
OP HET GRONDWETTELIJK HOF

Laatst bijgewerkt op 5 maart 2014.

Officieuze eigen coördinatie van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, rekening houdend met de opeenvolgende wijzigingen van:

  - 16 januari 1989 (invoeging art. 124bis)
- 16 juli 1993 (vervanging art. 32, eerste lid, eerste zin; vervanging art. 34, § 1, 2°; wijziging van artikel 34, § 2, tweede lid, en diverse vervangingen van 'Executieve' (of aanverwant) door 'Regering' (of aanverwant)
- 27 juni 1994 (diverse wijzigingen in art. 41)
- 24 juni 2000 (diverse wijzigingen in art. 41)
- 2 april 2001 (invoeging art. 60bis)
- 13 juli 2001 (invoeging art. 3bis)
- 9 maart 2003 (diverse wijzigingen)
- 27 maart 2006 (terminologische aanpassing - Parlementen in plaats van Raden)
- 12 juli 2009 (wijziging artikel 26)
- 21 februari 2010 (diverse wijzigingen; vervanging van 'Arbitragehof' door 'Grondwettelijk Hof')
- 6 januari 2014 (toevoeging van een nieuw tweede lid, artikel 8)


TITEL I : BEVOEGDHEID VAN HET GRONDWETTELIJK HOF

HOOFDSTUK I : BEROEPEN TOT VERNIETIGING

Afdeling I : Beroepen

Art. 1. Het Grondwettelijk Hof doet, bij wege van arrest, uitspraak op de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel wegens schending van :

de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten; of

de artikelen van titel II « De Belgen en hun rechten », en de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet.

Art. 2. De in artikel 1 bedoelde beroepen worden ingesteld:

door de Ministerraad, door de Regering van een Gemeenschap of van een Gewest;

door iedere natuurlijke of rechtspersoon die doet blijken van een belang; of

door de voorzitters van de wetgevende vergaderingen op verzoek van twee derde van hun leden.

Art. 3. § 1. Onverminderd het bepaalde in paragraaf 2 en artikel 4 zijn de beroepen strekkende tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, slechts ontvankelijk indien zij worden ingesteld binnen een termijn van zes maanden na de bekendmaking van de wet, het decreet of de in het artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel.

§ 2. De beroepen strekkende tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel waardoor een verdrag instemming verkrijgt, zijn slechts ontvankelijk, indien zij worden ingesteld binnen een termijn van zestig dagen na de bekendmaking van de wet, het decreet of de in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel.

Art. 3bis. Voor de beroepen tot nietigverklaring van een decreet of een regel bedoeld in artikel 134 van de Grondwet, die gegrond zijn op de schending van de artikelen 6, § 2, en 9, § 1, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, begint de termijn van zes maanden waarin artikel 3 voorziet pas te lopen zodra de inkohieringstermijn bepaald in artikel 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 verstreken is.

Art. 4. Voor de Ministerraad of voor de Regering van een Gemeenschap of van een Gewest staat een nieuwe termijn van zes maanden open voor het instellen van een beroep tot vernietiging tegen een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, wanneer:

een beroep is ingesteld tegen een norm die hetzelfde onderwerp heeft en die vastgesteld is door een andere wetgever dan die welke de wet, het decreet of de in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel heeft aangenomen. De termijn gaat in op de datum van de bekendmaking van de in artikel 74 bedoelde vermelding;

2° het Hof een norm vernietigd heeft die, geheel of gedeeltelijk, hetzelfde onderwerp heeft en die vastgesteld is door een andere wetgever dan die welke de wet, het decreet of de in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel heeft aangenomen. De termijn gaat in op de datum van de kennisgeving van het door het Hof gewezen arrest aan, al naar het geval, de Eerste Minister en aan de voorzitters van de Regeringen.

Voor de Ministerraad, voor de Regering van een Gemeenschap of van een Gewest, voor de voorzitters van de wetgevende vergaderingen op verzoek van twee derde van hun leden of voor iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die doet blijken van een belang staat een nieuwe termijn van zes maanden open voor het instellen van een beroep tot vernietiging tegen een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, wanneer het Hof, uitspraak doende op een prejudiciële vraag, verklaard heeft dat die wet, dat decreet of die in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel een van de in artikel 1 bedoelde regels of artikelen van de Grondwet schendt. De termijn gaat respectievelijk in op de datum van de kennisgeving van het door het Hof gewezen arrest aan, al naar het geval, de Eerste Minister en de voorzitters van de Regeringen en aan de voorzitters van de wetgevende vergaderingen, of op de datum van de bekendmaking van het arrest in het Belgisch Staatsblad.

Art. 5. Een beroep tot vernietiging wordt bij het Hof aanhangig gemaakt door middel van een verzoekschrift dat, al naar het geval, ondertekend wordt door de Eerste Minister, door een lid van de Regering, door haar aangewezen, door de voorzitter van een wetgevende vergadering of door degene die doet blijken van een belang of hun advocaat.

Art. 6. Het verzoekschrift wordt gedagtekend. Het vermeldt het onderwerp van het beroep en bevat een uiteenzetting van de feiten en middelen.

Art. 7. De verzoekende partij voegt bij haar verzoekschrift een afschrift van de wet, het decreet of de in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel waartegen het beroep gericht is, en, in voorkomend geval, van de bijlagen ervan.

Indien het beroep wordt ingesteld door de Ministerraad, door de Regering van een Gemeenschap of een Gewest of door de voorzitter van een wetgevende vergadering, voegt de verzoekende partij daarenboven bij haar verzoekschrift een voor eensluidend verklaard afschrift van de beslissing waarbij zij besloten heeft het beroep in te stellen.

Indien een rechtspersoon het beroep instelt of in het geding tussenkomt, legt deze partij, op het eerste verzoek, het bewijs voor van de beslissing om het beroep in te stellen of voort te zetten of om tussen te komen en, wanneer haar statuten moeten worden bekendgemaakt in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad, een kopie van die bekendmaking.

Art. 8. Indien het beroep gegrond is, vernietigt het Grondwettelijk Hof geheel of ten dele de wet, het decreet of de in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel waartegen het beroep is gericht.

Indien het Hof een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, die overeenkomstig artikel 92bis/1 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen werd aangenomen, geheel of gedeeltelijk vernietigt, vernietigt het ook de overeenstemmende bepalingen die in het decreet of de decreten, of de regel of regels als bedoeld in artikel 134 van de Grondwet, voorkomen die gelijktijdig werd(en) aangenomen.

Zo het Hof dit nodig oordeelt, wijst het, bij wege van algemene beschikking, die gevolgen van de vernietigde bepalingen aan welke als gehandhaafd moeten worden beschouwd of voorlopig gehandhaafd worden voor de termijn die het vaststelt.

Afdeling II : Gevolgen van de vernietigingsarresten

Art. 9.  § 1. De door het Grondwettelijk Hof gewezen vernietigingsarresten hebben een absoluut gezag van gewijsde vanaf hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.

§ 2. De door het Grondwettelijk Hof gewezen arresten waarbij beroepen tot vernietiging verworpen worden, zijn bindend voor de rechtscolleges wat de door die arresten beslechte rechtspunten betreft.

Art. 10. De in kracht van gewijsde gegane beslissing van een strafgerecht kan, in zoverre zij gegrond is op een bepaling van een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel die vervolgens door het Grondwettelijk Hof is vernietigd, of op een verordening ter uitvoering van zodanige wet, decreet of in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, geheel of ten dele worden ingetrokken door het gerecht dat die beslissing heeft gewezen.

Art. 11. Het staat aan het openbaar ministerie de intrekking te vorderen.

Het recht om de intrekking te vorderen, behoort bovendien:

1° aan de veroordeelde;

2° aan degene ten aanzien van wie een beslissing is gewezen waarbij opschorting van de uitspraak van de veroordeling wordt gelast;

3° ingeval de veroordeelde of, in voorkomend geval, de persoon ten aanzien van wie een beslissing is gewezen waarbij opschorting van de uitspraak van de veroordeling wordt gelast, overleden is dan wel onbekwaam of afwezig verklaard is, aan zijn echtgenoot, aan de bloedverwanten in de neerdalende en de opgaande lijn, aan zijn broers en zusters;

4° aan de partij die burgerrechtelijk aansprakelijk is verklaard voor de veroordeelde of, in voorkomend geval, voor degene ten aanzien van wie een beslissing is gewezen waarbij opschorting van de uitspraak van de veroordeling wordt gelast.

Art. 12. § 1. De zaak wordt bij het bevoegde gerecht aanhangig gemaakt, hetzij door een vordering van het openbaar ministerie, hetzij door een verzoekschrift dat de grond tot intrekking omschrijft.

Op straffe van nietigheid wordt de vordering ingesteld binnen zes maanden na de bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof in het Belgisch Staatsblad.

§ 2. Na kennisneming van de vordering of van het verzoekschrift benoemt dat gerecht, ingeval de veroordeelde overleden, afwezig of onbekwaam verklaard is, een curator voor zijn verdediging, die hem vertegenwoordigt bij de intrekkingsprocedure.

§ 3. Het openbaar ministerie laat het verzoekschrift betekenen aan allen die partij zijn bij de bestreden beslissing. De betekening bevat een dagvaarding om te verschijnen voor het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gewezen, en de tekst van de artikelen 10 tot 12 van deze wet.

De beslissing waarbij een einduitspraak wordt gedaan over de intrekking, wordt geacht op tegenspraak te zijn gewezen ten aanzien van de regelmatig gedagvaarde burgerlijke partij, zelfs wanneer deze niet in het geding tot intrekking is tussengekomen vóór de sluiting van de debatten.

§ 4. Het dossier op basis waarvan de bestreden beslissing is gewezen, wordt gedurende ten minste vijftien dagen ter inzage gelegd van de partijen.

§ 5. Het gerecht waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, kan, indien de veroordeelde zich in hechtenis bevindt krachtens de beslissing waarvan de intrekking wordt gevorderd, zijn voorlopige invrijheidstelling gelasten volgens de procedure bepaald in artikel 7, tweede, derde en vierde lid, van de wet van 20 april 1874 betreffende de voorlopige hechtenis.

Dat gerecht kan ook, indien de aangevoerde middelen ernstig lijken en van dien aard dat ze de gevorderde intrekking rechtvaardigen, de opschorting bevelen van alle maatregelen tot tenuitvoerlegging of toepassing van de beslissing die voor intrekking vatbaar is.

§ 6. De rechter kan, op verzoek van één der personen bedoeld in artikel 11, 1° tot 4°, bevelen dat, zijn beslissing tot intrekking bij uittreksel wordt bekendgemaakt in een dagblad dat hij aanwijst.

§ 7. De procedurekosten komen ten laste van de Staat.

Art. 13. § 1. De veroordelingen in strafzaken gegrond op een vernietigde wet, een vernietigd decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde vernietigde regel, of op een verordening ter uitvoering van zodanige wet, decreet of in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, evenals de beslissingen tot opschorting van de uitspraak van dergelijke veroordelingen worden door de intrekking ongedaan gemaakt binnen de grenzen waarin zij is uitgesproken.

§ 2. Indien bij de bestreden beslissing slechts één straf is uitgesproken wegens verscheidene strafbare feiten waarvan ten minste één gepleegd werd met overtreding van een bepaling die niet vernietigd is, kan de rechter, op vordering van het openbaar ministerie en mits de strafvordering niet is verjaard, hetzij de veroordeling integraal handhaven, hetzij de straf verminderen, hetzij de uitspraak van de veroordeling opschorten, hetzij een vrijsprekend vonnis wijzen.

§ 3. Indien de feiten die geleid hebben tot het ingetrokken vonnis, strafbaar blijven krachtens bepalingen die ten gevolge van de vernietiging opnieuw toepasselijk worden, kan de rechter die de vordering tot intrekking behandeld heeft, op vordering van het openbaar ministerie en mits de strafvordering niet is verjaard, nieuwe veroordelingen uitspreken, evenwel zonder dat daaruit een verzwaring van straffen mag volgen.

§ 4. De rechter gelast de terugbetaling van de ten onrechte geïnde geldboete, vermeerderd met de wettelijke interest te rekenen van de inning.

Artikel 28 van de wet van 20 april 1874 betreffende de voorlopige hechtenis is mede van toepassing op de veroordeelde die ter uitvoering van het ingetrokken vonnis ten onrechte in hechtenis is gesteld.

§ 5. Indien de rechter ten gevolge van de intrekking niet langer bevoegd is om uitspraak te doen op de burgerlijke rechtsvordering, verwijst hij deze naar de bevoegde rechter. De artikelen 660 tot 663 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 16, §§ 1 en 2, van deze wet zijn mede van toepassing op die verwijzing.

Art. 14. De beslissingen tot internering van verdachten en beschuldigden in staat van krankzinnigheid, geestesstoornis of zwakzinnigheid, uitgesproken krachtens de wet tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers, kunnen worden ingetrokken overeenkomstig de artikelen 10 tot 13.

Art. 15. In afwijking van artikel 1082, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, kan een tweede voorziening in cassatie worden ingesteld wanneer die zich uitsluitend beroept op de vernietiging door het Grondwettelijk Hof van de bepaling van een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel die ten grondslag aan de bestreden beslissing heeft gelegen of van een verordening die ter uitvoering van zodanige norm is vastgesteld.

Art. 16. § 1. De in kracht van gewijsde gegane beslissing van een burgerlijk gerecht kan, in zoverre zij gegrond is op een bepaling van een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel die vervolgens door het Grondwettelijk Hof is vernietigd, of op een verordening ter uitvoering van zodanige norm, geheel of ten dele worden ingetrokken op verzoek van degenen die daarbij partij zijn geweest of behoorlijk opgeroepen.

§ 2. De rechter kan binnen de grenzen van de intrekking een nieuwe beslissing uitspreken die steunt op een andere grond of op een andere juridische omschrijving van een feit of een handeling waarmee de bestreden beslissing wordt gestaafd.

§ 3. De vordering tot intrekking wordt aanhangig gemaakt bij het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gewezen; ze wordt ingeleid door een dagvaarding die de uiteenzetting van de middelen bevat en betekend wordt aan alle bij de bestreden beslissing betrokken partijen, een en ander op straffe van nietigheid.

§ 4. Op straffe van verval moet de vordering worden ingesteld binnen zes maanden na de bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof in het Belgisch Staatsblad.

Art. 17. Een arrest van de Raad van State kan, in zoverre het gegrond is op een bepaling van een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel die vervolgens door het Grondwettelijk Hof is vernietigd, of op een verordening ter uitvoering van zodanige norm, geheel of ten dele worden ingetrokken.

De termijn van beroep is zes maanden te rekenen van de dag waarop het arrest van het Grondwettelijk Hof in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Art. 18. Niettegenstaande de door de wetten en bijzondere verordeningen bepaalde termijnen verstreken zijn, kan tegen de handelingen en verordeningen van de verschillende bestuursorganen alsook tegen de beslissingen van andere gerechten dan die bedoeld in artikel 16 van deze wet, voor zover die gegrond zijn op een bepaling van een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, die vervolgens door het Grondwettelijk Hof is vernietigd, of op een verordening ter uitvoering van zodanige norm, al naar het geval, elk administratief of rechterlijk beroep worden ingesteld dat daartegen openstaat, binnen zes maanden na de bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof in het Belgisch Staatsblad.

Afdeling III : Schorsing

Art. 19. Op vordering van de verzoekende partij kan het Hof, bij een met redenen omklede beslissing, de wet, het decreet of de in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, waartegen een beroep tot vernietiging gericht is, geheel of ten dele schorsen.

Art. 20. Onverminderd artikel 16ter van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en artikel 5ter van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, kan slechts tot schorsing worden besloten :

  als ernstige middelen worden aangevoerd en op voorwaarde dat de onmiddellijke uitvoering van de wet, het decreet of de in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, waartegen het beroep gericht is, een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;

als een beroep is ingesteld tegen een norm die identiek is met of gelijkaardig aan een reeds door het Grondwettelijk Hof vernietigde norm en die door dezelfde wetgever is aangenomen.

Art. 21. De schorsing wordt gevorderd in het verzoekschrift tot vernietiging of in een afzonderlijke, overeenkomstig artikel 5 ondertekende akte, die bij het verzoekschrift gevoegd of in de loop van het geding ingediend wordt.

In afwijking van artikel 3, zijn de verzoekschriften tot schorsing slechts ontvankelijk wanneer zij worden ingediend binnen een termijn van drie maanden na de bekendmaking van de wet, het decreet of de in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel.

Art. 22. Onverminderd het bepaalde in artikel 16ter van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en in artikel 5ter van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, bevat de vordering bedoeld in artikel 20, 1º, een uiteenzetting van de feiten waaruit moet blijken dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden norm een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.

Wanneer de vordering bij een afzonderlijke akte wordt ingesteld, wordt zij gedagtekend en vermeldt zij de norm waartegen het beroep tot vernietiging gericht is.

Art. 23. Onverminderd de bepalingen van de artikelen 70 tot 73, doet het Hof onverwijld uitspraak op de vordering bij een met redenen omkleed arrest, na de partijen te hebben gehoord.

Art. 24. Het arrest dat de schorsing beveelt, wordt in het Nederlands, in het Frans en in het Duits gesteld. Ten verzoeke van de griffier wordt het binnen vijf dagen na de uitspraak in zijn geheel of bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

Het heeft gevolg vanaf de dag van zijn bekendmaking.

Art. 25. Het Hof wijst zijn arrest op de hoofdvordering binnen drie maanden na de uitspraak van het arrest dat de schorsing beveelt. De termijn kan niet worden verlengd.

Indien het arrest op de hoofdvordering niet gewezen is binnen die termijn, houdt de schorsing onmiddellijk op gevolg te hebben.

HOOFDSTUK II : PREJUDICIELE VRAGEN

Art. 26. § 1. Het Grondwettelijk Hof doet, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak bij wege van arrest op vragen omtrent:

de schending door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten;

2° onverminderd 1°, elk conflict tussen decreten of tussen regels bedoeld in artikel 134 van de Grondwet, die uitgaan van verschillende wetgevers en voor zover het conflict ontstaan is uit hun onderscheiden werkingssfeer;

de schending door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel van de artikelen van titel II « De Belgen en hun rechten », en de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet.

§ 1bis. Van het toepassingsgebied van dit artikel worden uitgesloten de wetten, de decreten en de in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regels waardoor een constituerend verdrag betreffende de Europese Unie of het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden of een Aanvullend Protocol bij dit Verdrag instemming verkrijgt.

§ 2. Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechtscollege, dan moet dit college het Grondwettelijk Hof verzoeken op deze vraag uitspraak te doen.

Het rechtscollege is daartoe echter niet gehouden :

wanneer de zaak niet door het betrokken rechtscollege kan worden behandeld om redenen van onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid, tenzij wanneer die redenen ontleend zijn aan normen die zelf het onderwerp uitmaken van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag;

wanneer het Grondwettelijk Hof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag of een beroep met een identiek onderwerp.

Het rechtscollege waarvan de beslissing vatbaar is voor, al naar het geval, hoger beroep, verzet, voorziening in cassatie of beroep tot vernietiging bij de Raad van State, is daartoe evenmin gehouden wanneer de wet, het decreet of de in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel een regel of een artikel van de Grondwet bedoeld in § 1 klaarblijkelijk niet schendt of wanneer het rechtscollege meent dat het antwoord op de prejudiciële vraag niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen.

§ 3. Behalve wanneer ernstige twijfel bestaat over de verenigbaarheid van een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel met een van de in § 1 bedoelde regels of artikelen van de Grondwet en geen vraag of beroep met hetzelfde onderwerp bij het Hof aanhangig is, is een rechtscollege zowel in het geval de vordering spoedeisend is en de uitspraak over de vordering slechts een voorlopig karakter heeft, als in het geval het een procedure ter beoordeling van de handhaving van de voorlopige hechtenis betreft, er niet toe gehouden een prejudiciële vraag te stellen.

§ 4. Wanneer voor een rechtscollege wordt opgeworpen dat een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel een grondrecht schendt dat op geheel of gedeeltelijk analoge wijze is gewaarborgd in een bepaling uit titel II van de Grondwet en in een bepaling van Europees of internationaal recht, stelt het rechtscollege eerst aan het Grondwettelijk Hof de prejudiciële vraag over de verenigbaarheid met de bepaling uit titel II van de Grondwet.

    In afwijking van het eerste lid geldt de verplichting een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof niet :

1° in de gevallen bedoeld in de paragrafen 2 en 3;

2° wanneer het rechtscollege oordeelt dat de bepaling uit titel II van de Grondwet klaarblijkelijk niet geschonden is;

3° wanneer het rechtscollege oordeelt dat uit een arrest van een internationaal rechtscollege blijkt dat de bepaling uit het Europees of internationaal recht klaarblijkelijk geschonden is;

4° wanneer het rechtscollege oordeelt dat uit een arrest van het Grondwettelijk Hof blijkt dat de bepaling uit titel II van de Grondwet klaarblijkelijk geschonden is.

Art. 27. § 1. Prejudiciële vragen worden bij het Hof aanhangig gemaakt door overzending van een door de voorzitter en door de griffier van het rechtscollege ondertekende expeditie van de beslissing tot verwijzing.

§ 2. De beslissing tot verwijzing vermeldt de bepalingen van de wet, het decreet of de in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel die het onderwerp uitmaken van de vraag; in voorkomend geval preciseert zij bovendien welke artikelen van de Grondwet of van de bijzondere wetten ter zake dienend zijn. Het Grondwettelijk Hof kan evenwel de gestelde prejudiciële vraag herformuleren.

Art. 28. Het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld evenals elk ander rechtscollege dat in dezelfde zaak uitspraak doet, moeten voor de oplossing van het geschil naar aanleiding waarvan de in artikel 26 bedoelde vragen zijn gesteld, zich voegen naar het arrest van het Grondwettelijk Hof.

Art. 29. § 1. Tegen de beslissing van een rechtscollege kan, in zover dit aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag stelt, geen enkel rechtsmiddel worden aangewend.

§ 2. De beslissing waarbij een rechtscollege weigert een prejudiciële vraag te stellen, moet de redenen van de weigering aangeven. Tegen de beslissing van een rechtscollege kan, in zover dit een dergelijke vraag weigert te stellen, geen afzonderlijk rechtsmiddel worden aangewend.

Art. 30. De beslissing om aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen schort de procedure en de termijnen van procedure en verjaring op vanaf de datum van die beslissing tot de datum waarop het arrest van het Grondwettelijk Hof ter kennis wordt gebracht van het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld. Een afschrift ervan wordt aan de partijen gezonden.

HOOFDSTUK III : GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Art. 30bis. Voor de toepassing van de artikelen 1 en 26, § 1, worden als regels bedoeld in 1° van deze twee bepalingen, beschouwd het overleg, de betrokkenheid, het geven van inlichtingen, de adviezen, de eensluidende adviezen, de akkoorden, de gemeenschappelijke akkoorden en de voorstellen waarvan sprake is in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, de samenwerkingsakkoorden bedoeld in artikel 92bis van voornoemde wet uitgezonderd, alsook in de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten of in elke andere wet genomen ter uitvoering van de artikelen 39, 127, § 1, 128, § 1, 129, § 1, 130, § 1, 135, 136, 137, 140, 166, 175, 176 en 177 van de Grondwet.

TITEL II : INRICHTING VAN HET GRONDWETTELIJK HOF

HOOFDSTUK I : DE RECHTERS VAN HET GRONDWETTELIJK HOF

Art. 31. Het Grondwettelijk Hof is samengesteld uit twaalf rechters : zes Nederlandstalige rechters, die de Nederlandse taalgroep van het Hof vormen, en zes Franstalige rechters, die de Franse taalgroep van het Hof vormen.

De hoedanigheid van Nederlandstalige rechter of van Franstalige rechter van het Grondwettelijk Hof wordt, voor de in artikel 34, § 1, 1°, bedoelde rechters, bepaald door de taal van het diploma en voor de in artikel 34, § 1, 2°, bedoelde rechters, door de parlementaire taalgroep waartoe zij het laatst behoorden.

Art. 32. De rechters worden voor het leven door de Koning benoemd uit een lijst met twee kandidaten, beurtelings door de Kamer van volksvertegenwoordigers en door de Senaat voorgedragen. Het wordt aangenomen met een meerderheid van twee derde der stemmen van de aanwezige leden.

Geen voordracht kan geschieden dan ten minste vijftien dagen na bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad. Die bekendmaking mag niet vroeger dan drie maanden vóór het ontstaan van de vacature geschieden.

Iedere voordracht wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt; de benoeming mag niet vroeger dan vijftien dagen na die bekendmaking geschieden.

Art. 33. De Nederlandstalige en de Franstalige rechters van het Grondwettelijk Hof kiezen, elk wat hen betreft, uit hun midden een Nederlandstalige en een Franstalige voorzitter.

Art. 34. § 1. Om tot rechter van het Grondwettelijk Hof te worden benoemd, moet men volle veertig jaar oud zijn en aan een van de volgende voorwaarden voldoen:

1° in België ten minste vijf jaar het ambt hebben bekleed:

a) hetzij van raadsheer, van procureur-generaal, van eerste advocaat-generaal of van advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie;

b) hetzij van Staatsraad of van auditeur-generaal, van adjunct-auditeur-generaal, van eerste auditeur of van eerste referendaris bij de Raad van State;

c) hetzij van referendaris bij het Grondwettelijk Hof;

d) hetzij van gewoon hoogleraar, buitengewoon hoogleraar, hoogleraar, geassocieerd hoogleraar in de rechten aan een Belgische universiteit;

2° ten minste vijf jaar lid zijn geweest van de Senaat, de Kamer van volksvertegenwoordigers of een gemeenschaps- of gewestparlement.

§ 2. Het Hof telt, onder zijn Nederlandstalige, respectievelijk Franstalige rechters, evenveel rechters die voldoen aan de voorwaarden bepaald in § 1, 1°, als rechters die voldoen aan de voorwaarde bepaald in § 1, 2°.

Onder de rechters die voldoen aan de in § 1, 1°, bepaalde voorwaarden moet ten minste één rechter voldoen aan de voorwaarde bedoeld onder a) of aan de voorwaarde bedoeld onder b) ten minste één rechter voldoen aan de voorwaarde bedoeld onder c) en ten minste één rechter voldoen aan de voorwaarde bedoeld onder d).

§ 3. Een kandidaat, voorgedragen op grond van de voorwaarde bepaald in § 1, 1°, kan niet worden voorgedragen op grond van de voorwaarde bepaald in § 1, 2°.

Een kandidaat, voorgedragen op grond van de voorwaarde bepaald in § 1, 2°, kan niet worden voorgedragen op grond van de voorwaarde bepaald in § 1, 1°.

§ 4. Ten minste één rechter van het Hof, behorend tot de rechters die voldoen aan de voorwaarden bedoeld in § 1, 1°, moet het bewijs leveren van een voldoende kennis van de Duitse taal. De Koning bepaalt de wijze waarop het bewijs van de kennis van het Duits wordt geleverd.

§ 5. Het Hof is samengesteld uit rechters van verschillend geslacht.

HOOFDSTUK II : DE REFERENDARISSEN

Art. 35. Het Grondwettelijk Hof wordt bijgestaan door ten hoogste vierentwintig referendarissen, van wie de ene helft Nederlandstalig en de andere helft Franstalig is, al naar de taal van het diploma, en die het bewijs hebben geleverd van een voldoende kennis van de tweede landstaal, voor een examencommissie samengesteld door de Vaste Wervingssecretaris.

Ten minste één Nederlandstalige en één Franstalige referendaris moeten het bewijs leveren van een voldoende kennis van de Duitse taal, voor een examencommissie samengesteld door de Vaste Wervingssecretaris.

Art. 36. Niemand kan tot referendaris worden benoemd tenzij hij vijfentwintig jaar oud en doctor of licentiaat in de rechten is.

Geen benoeming kan geschieden dan bij vacature en ten minste vijftien dagen na bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad. Die bekendmaking mag niet vroeger dan drie maanden vóór het ontstaan van de vacature geschieden.

Art. 37. De kandidaten worden met het oog op hun benoeming gerangschikt op grond van een vergelijkend examen waarvan het Hof de voorwaarden bepaalt en de examencommissie aanstelt.

De examencommissie bestaat voor de ene helft uit rechters van het Hof en voor de andere helft uit buiten de instelling staande personen, met inachtneming van het taalevenwicht.

De examenuitslag blijft drie jaar geldig.

Het vergelijkend examen wordt, wat de gevolgen ervan betreft, gelijkgesteld met de vergelijkende examens die in de rijksbesturen en de instellingen van openbaar nut toegang verlenen tot het ambt van bestuurssecretaris-jurist.

Art. 38. De referendarissen worden door het Hof benoemd voor een stage van drie jaar volgens hun rangschikking bij het bij artikel 37 bedoelde vergelijkend examen.

Na die drie jaar wordt de benoeming definitief, behoudens andersluidende beslissing genomen door het Hof tijdens het derde stagejaar.

Art. 39. Het ambt van referendaris bij het Grondwettelijk Hof wordt gelijkgesteld met de rechterlijke ambten ten aanzien van de benoemingsvoorwaarden bepaald in de artikelen 70 en 71 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en in de artikelen 187 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek.

De jaren, als referendaris bij het Grondwettelijk Hof doorgebracht, komen in aanmerking voor de berekening van de anciënniteit in elke administratieve of gerechtelijke functie of in een functie bij de Raad van State of bij het Grondwettelijk Hof, die de referendarissen nadien zouden bekleden.

HOOFDSTUK III : DE GRIFFIERS

Art. 40. § 1. De Koning benoemt twee griffiers uit twee lijsten van elk twee kandidaten, de ene door de Nederlandse taalgroep, de andere door de Franse taalgroep van het Grondwettelijk Hof voorgedragen.

Artikel 32, tweede en derde lid, is mede van toepassing op deze voordrachten.

§ 2.  De taalrol van een griffier wordt bepaald door zijn voordracht door de overeenstemmende taalgroep van het Grondwettelijk Hof.

Art. 41. Om tot griffier van het Grondwettelijk Hof te kunnen worden benoemd moet de kandidaat:

1° volle dertig jaar oud zijn;

2° geslaagd zijn voor een van de volgende examens:

a) het vergelijkend examen van referendaris bij het Grondwettelijk Hof;

b) het vergelijkend examen van referendaris bij het Hof van Cassatie;

c) het vergelijkend examen van adjunct-auditeur of adjunct-referendaris bij de Raad van State;

d) het bij artikel 259bis van het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven examen inzake beroepsbekwaamheid;

e) het vergelijkend toelatingsexamen voor de gerechtelijke stage bedoeld in artikel 259quater van het Gerechtelijk Wetboek;

f) het examen voor de wervingsgraad van niveau 1, kwalificatie « jurist » voor de besturen van de federale overheid, de Gemeenschappen en de Gewesten en voor de instellingen van openbaar nut die ervan afhangen evenals voor de diensten van het Grondwettelijk Hof;

g) het examen voor de wervingsgraad van attaché, kwalificatie « jurist » voor de Wetgevende Kamers en de gemeenschaps- en gewestparlementen;

3° een nuttige ervaring van ten minste twee jaar hebben.

Bovendien moet de Nederlandstalige kandidaat het bewijs leveren van de kennis van het Frans en moet de Franstalige kandidaat het bewijs leveren van de kennis van het Nederlands door het slagen in een van de examens bepaald in de artikelen 43quinquies en 53, § 6, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, in artikel 43, § 3, derde lid, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en in artikel 73, § 2, vijfde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

HOOFDSTUK IV : HET ADMINISTRATIEF PERSONEEL

Art. 42. Het Grondwettelijk Hof beschikt over eigen personeel. Het Hof stelt de personeelsformatie en het taalkader van het personeel vast, met inachtneming van de taalpariteit per niveau; het benoemt en ontslaat de leden van het personeel.

De Koning keurt de formatie en het kader bedoeld in het eerste lid goed.

Behoudens andersluidende beslissing van het Hof, vereist voor de goede werking van zijn diensten en vastgelegd in een reglement goedgekeurd bij koninklijk besluit, is het personeel onderworpen aan de wettelijke en statutaire regelen die van toepassing zijn op de in vast verband benoemde ambtenaren van het Rijk.

Art. 43. Het Grondwettelijk Hof beslist over de opdrachten, de verhindering en de vervanging, de afwezigheid, het verlof en de vakantie van de leden van het administratief personeel.

Het Hof kan die bevoegdheid geheel of ten dele opdragen aan een personeelscommissie, bestaande uit de twee voorzitters, twee rechters van de Nederlandse taalgroep en twee rechters van de Franse taalgroep, door het Hof aangewezen voor een termijn van vier jaar. Zij zijn herkiesbaar.

HOOFDSTUK V : ONVERENIGBAARHEDEN

Art. 44. De ambten van rechter, van referendaris en van griffier zijn onverenigbaar met de rechterlijke ambten, met de uitoefening van een bij verkiezing verleend openbaar mandaat, met enige openbare functie of openbaar ambt van politieke of administratieve aard, met het ambt van notaris of van gerechtsdeurwaarder, met het beroep van advocaat, met de militaire stand en met de functie van bedienaar van een erkende eredienst.

Van het eerste lid kan door de Koning, op gunstig en beredeneerd advies van het Hof, worden afgeweken:

1° wanneer het gaat om de uitoefening van het ambt van hoogleraar of leraar, docent, lector of assistent in een inrichting voor hoger onderwijs, voor zover het ambt gedurende niet meer dan vijf uur per week en gedurende niet meer dan twee halve dagen per week wordt uitgeoefend;

2° wanneer het gaat om de uitoefening van het ambt van lid van een examencommissie;

3° wanneer het gaat om de deelneming aan een commissie, een raad of comité van advies, voor zover het aantal bezoldigde opdrachten of ambten beperkt blijft tot twee en het geheel van de bezoldiging niet hoger is dan een tiende van de jaarlijkse brutowedde van het hoofdambt in het Hof.

Art. 45. De voorzitters, de rechters, de referendarissen en de griffiers mogen niet voor enige andere openbare dienst worden opgevorderd, behoudens de gevallen die de wet bepaalt.

Art. 46. Het is de voorzitters, de rechters, de referendarissen en de griffiers verboden:

1° mondeling of schriftelijk de verdediging van de belanghebbenden te voeren of hun consult te geven;

2° in een scheidsgerecht op te treden tegen bezoldiging;

3° hetzij persoonlijk, hetzij door een tussenpersoon, enige beroepsactiviteit uit te oefenen, enige handel te drijven, als zaakwaarnemer op te treden, deel te nemen aan de leiding, het bestuur van of het toezicht op handelsvennootschappen of nijverheids- of handelsinrichtingen.

Art. 47. De bloed- en aanverwanten, tot en met de derde graad, mogen, tenzij de Koning dit verbod heeft opgeheven, niet tegelijkertijd voorzitter of rechter en referendaris zijn.

Art. 48. § 1. Artikel 44, eerste lid, en artikel 46, 1° en 2°, zijn mede van toepassing op de leden van het administratief personeel van het Grondwettelijk Hof.

§ 2. Afwijkingen kunnen hun door het Hof worden toegestaan in de gevallen waarin de op de Rijksambtenaren toepasselijke bepalingen aan dezen of hun echtgenoot de uitoefening van bepaalde aanvullende bezigheden toestaan.

HOOFDSTUK VI : TUCHT

Art. 49. De voorzitters en de rechters die te kort geschoten zijn in de waardigheid van hun ambt of aan de plichten van hun staat, kunnen uit hun ambt ontzet of daarin geschorst worden, bij een arrest dat door het Grondwettelijk Hof wordt uitgesproken.

Art. 50. § 1. De referendarissen en de griffiers die zich aan plichtsverzuim schuldig maken, worden vermaand en berispt door de voorzitter, en geschorst en ontslagen door het Grondwettelijk Hof. Op de schorsing staat inhouding van wedde, met al de gevolgen van dien, zowel ten aanzien van het pensioen als van de latere weddeverhogingen.

§ 2. Geen dezer straffen mag worden toegepast zonder dat de betrokkene eerst gehoord of behoorlijk opgeroepen is.

§ 3. Worden zij vervolgd wegens misdaad of wanbedrijf of op tuchtrechtelijk gebied, dan kunnen de referendarissen en de griffiers, wanneer het belang van de dienst zulks vergt, bij ordemaatregel door het Grondwettelijk Hof in hun ambt geschorst worden, zolang de vervolging duurt en totdat de eindbeslissing gevallen is.

De schorsing bij ordemaatregel wordt uitgesproken voor de tijd van één maand en kan daarna van maand tot maand verlengd worden, totdat een eindbeslissing intreedt. Het Grondwettelijk Hof is bevoegd te beslissen dat deze schorsing voorlopige, algehele of gedeeltelijke inhouding van wedde meebrengt, zolang de straftijd of een gedeelte van de straftijd loopt.

HOOFDSTUK VII : DIVERSE BEPALINGEN

Art. 51. § 1. De voorzitters en de rechters leggen in handen van de Koning de eed af die voorgeschreven is bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831.

§ 2. De referendarissen en de griffiers leggen die eed af in handen van de voorzitter.

§ 3. Zij zijn gehouden tot de eedaflegging binnen een maand na de dag waarop hun benoeming hun is bekendgemaakt; anders kan in hun vervanging worden voorzien.

§ 4. De eed wordt in het Nederlands of in het Frans afgelegd naargelang de betrokkene Nederlandstalig of Franstalig is.

Art. 52. De Koning bepaalt de ambtskledij die de ambtsdragers van het Grondwettelijk Hof op terechtzittingen en bij officiële plechtigheden dragen.

Hij regelt voorrang en eerbewijzen.

Art. 53. De Koning richt een concordantiedienst bij het Grondwettelijk Hof op.

TITEL III : WERKWIJZE VAN HET GRONDWETTELIJK HOF

Art. 54. Het voorzitterschap wordt om beurten door elke voorzitter waargenomen voor een termijn van een jaar.

Deze termijn neemt een aanvang op één september van elk jaar.

Art. 55. Onverminderd het bepaalde in artikel 56 houdt het Grondwettelijk Hof zijn terechtzittingen, beraadslaagt het en doet het uitspraak met zeven rechters : drie Nederlandstalige, drie Franstalige en de voorzitter, of bij diens ontstentenis, de oudstbenoemde rechter of, in voorkomend geval, de oudste rechter in jaren van dezelfde taalgroep.

Onder de zeven rechters, bedoeld in het eerste lid, moeten ten minste twee rechters voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 34, § 1, 1°, en ten minste twee rechters aan de voorwaarde gesteld in artikel 34, § 1, 2°.

Wanneer het een zaak betreft die moet worden behandeld in de taal die niet de taal is van de taalgroep waartoe hij behoort, delegeert de voorzitter zijn bevoegdheden aan de andere voorzitter of, bij diens ontstentenis, aan de oudstbenoemde rechter of, in voorkomend geval, de oudste rechter in jaren van de andere taalgroep.

Elke beslissing wordt genomen bij meerderheid van stemmen van de leden.

Art. 56. Het Grondwettelijk Hof komt in voltallige zitting bijeen om de nodige beslissingen te nemen met toepassing van de artikelen 37, 38, 42, 43, 44, 49, 50, 100 en 122.

Wanneer hij het nodig oordeelt, kan elk van beide voorzitters een zaak voorleggen aan het Grondwettelijk Hof in voltallige zitting. De voorzitters zijn ertoe gehouden wanneer van de zeven rechters die overeenkomstig artikel 55 de zetel samenstellen, twee rechters erom verzoeken.

In voltallige zitting kan het Hof slechts uitspraak doen voor zover er ten minste tien rechters en evenveel Nederlandstalige als Franstalige rechters aanwezig zijn. Zo aan deze laatste voorwaarde niet is voldaan, moet de jongstbenoemde rechter of, in voorkomend geval, de jongste rechter in jaren van de talrijkste taalgroep, zich van elke beslissing onthouden.

Wanneer het Hof uitspraak doet in voltallige zitting, is bij staking van stemmen, de stem van de voorzitter beslissend. Wanneer de voorzitter afwezig of verhinderd is, wordt hij vervangen door de oudstbenoemde rechter of, in voorkomend geval, de oudste rechter in jaren van dezelfde taalgroep.

Art. 57. Artikel 258 van het Strafwetboek betreffende de rechtsweigering is mede van toepassing op de rechters bij het Grondwettelijk Hof.

Art. 58. Op 1 september van elk jaar maken de voorzitters, ten behoeve van de dienst, een lijst op van de rechters van hun taalgroep. Als eerste wordt erop ingeschreven een op grond van artikel 34, § 1, 2°, benoemde rechter als de voorzitter zelf op grond van het 1° benoemd is, of omgekeerd. Daarna volgen op de lijst beurtelings de rechters benoemd op grond van het 1° en de rechters benoemd op grond van het 2°.

Art. 59. De voorzitters nemen zitting in alle zaken.

Voor elke zaak wijst de voorzitter in functie de leden van de zetel aan met inachtneming van de volgende regels. Op zijn lijst plaatst hij:

- voor de eerste zaak, de eerste, de tweede en de derde naam;

- voor de tweede zaak, de vierde, de vijfde en de eerste naam, en zo verder.

Op de lijst van de andere voorzitter plaatst hij:

- voor de eerste zaak, de eerste en de tweede naam;

- voor de tweede zaak, de derde en de vierde naam;

- voor de derde zaak, de vijfde en de eerste naam, en zo verder.

De volgorde van de zaken is die bepaald in artikel 67.

Art. 60. Bij afwezigheid of verhindering van een rechter die geen voorzitter is, wordt die rechter vervangen door degene die, benoemd op grond van dezelfde bepaling, na hem komt op de lijst of, als hij de laatste is op die lijst, door de eerste.

Art. 60bis. De voorzitters en de rechters die wegens hun leeftijd in ruste worden gesteld, blijven hun ambt uitoefenen in de zaken waarin zij zitting hadden ter terechtzitting en die in beraad zijn genomen vóór de datum van hun inrustestelling en nog niet tot een beslissing hebben geleid, behalve indien de voorzitter in functie hen op hun verzoek daarvan vrijstelt.

De verlenging van de ambtsuitoefening kan de termijn van zes maanden niet overschrijden.

Voor de toepassing van artikel 56, eerste lid, nemen de voorzitters en de rechters die wegens hun leeftijd in ruste worden gesteld, zitting tot op het ogenblik waarop hun opvolger de eed heeft afgelegd.

Art. 61. Het Hof wordt bijgestaan door de griffier wiens taal die van het onderzoek is.

TITEL IV : GEBRUIK VAN DE TALEN

HOOFDSTUK I : GEBRUIK VAN DE TALEN VOOR HET GRONDWETTELIJK HOF

Art. 62. De zaken worden bij het Grondwettelijk Hof ingediend in het Nederlands, in het Frans of in het Duits.

In de akten en verklaringen:

gebruikt de Ministerraad het Nederlands of het Frans, naar gelang van de regels bepaald in artikel 17, § 1, van de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966;

gebruiken de Regeringen hun bestuurstaal;

3° gebruiken de rechtscolleges de taal of de talen waarin zij hun beslissing moeten stellen;

4° gebruiken de voorzitters van de Wetgevende Kamers, de voorzitter van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement en de voorzitter van de verenigde vergadering van de taalgroepen van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement het Nederlands en het Frans;

5° gebruiken de voorzitter van het Vlaams Parlement het Nederlands, de voorzitter van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap het Duits, en de voorzitters van het Parlement van de Franse Gemeenschap en van het Waals Parlement het Frans;

gebruiken de personen die doen blijken van een belang, de taal die zij verkiezen behalve indien zij onderworpen zijn aan de wetgeving op het gebruik der talen in bestuurszaken, in welk geval zij de taal gebruiken die hen is opgelegd door de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.

Het Hof stelt ambtshalve de nietigheid vast van de akten en verklaringen van de Ministerraad, van de Regeringen, van de voorzitters van de wetgevende vergaderingen en van de personen onderworpen aan de wetgeving op het gebruik der talen in bestuurszaken die niet aan het Hof worden gericht in de door het tweede lid opgelegde taal.

Art. 63. § 1. Onder voorbehoud van het bepaalde in de §§ 2 en 3 geschiedt het onderzoek van de zaak in de taal van de akte waardoor de zaak bij het Hof aanhangig wordt gemaakt.

§ 2. Indien de zaak in het Duits of tegelijk in het Nederlands en het Frans is ingediend, beslist het Hof of het onderzoek in het Nederlands dan wel in het Frans wordt gevoerd.

§ 3. Onverminderd het bepaalde in § 2 geschiedt het onderzoek van de zaak in de taal van het taalgebied waarin de woonplaats van de verzoeker gelegen is, indien het verzoekschrift is ingediend door een persoon die doet blijken van een belang en die zijn woonplaats heeft in een gemeente of een groep van gemeenten waar de wet het gebruik van een andere taal dan die van het taalgebied waarin zij gelegen zijn niet voorschrijft noch toelaat.

De samengevoegde zaken worden verder behandeld in de taal van de eerst aanhangig gemaakte zaak.

§ 4. De stukken ten behoeve van het Hof worden vertaald in het Nederlands of het Frans naar gelang van het geval.

Art. 64. De mondelinge verklaringen ter terechtzitting geschieden in het Nederlands, het Frans of het Duits, met simultaanvertaling.

Art. 65. De arresten van het Hof worden in het Nederlands en in het Frans gesteld en uitgesproken. Zij worden in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt op de wijze bepaald in artikel 114, met een vertaling in het Duits.

De arresten worden in het Nederlands en in het Frans uitgesproken door de voorzitters.

Zij worden tevens in het Duits uitgesproken en bekendgemaakt wanneer het gaat om arresten gewezen op beroepen tot vernietiging of wanneer de zaak in het Duits aanhangig is gemaakt.

HOOFDSTUK II : GEBRUIK VAN DE TALEN IN DE DIENSTEN VAN HET GRONDWETTELIJK HOF

Art. 66. De administratieve werkzaamheden van het Grondwettelijk Hof en de organisatie van de diensten zijn onderworpen aan de bepalingen van de wetgeving op het gebruik der talen in bestuurszaken, die gelden voor de diensten waarvan de werkkring het hele land bestrijkt.

TITEL V : RECHTSPLEGING VOOR HET GRONDWETTELIJK HOF

HOOFDSTUK I : INSCHRIJVING OP DE ROL EN AANWIJZING VAN DE VERSLAGGEVERS

Art. 67. De griffier brengt de zaken op de rol van het Hof in de volgorde van ontvangst.

Art. 68. Voor elke zaak zijn de verslaggevers de rechters die op ieder van de in artikel 59 bedoelde lijsten als eerste vermeld staan.

Elke verslaggever heeft tot taak het dossier te behandelen en ter terechtzitting verslag uit te brengen.

HOOFDSTUK II : VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING

Art. 69. Er is een beperkte kamer, bestaande uit de voorzitter en de twee verslaggevers.

Art. 70. Dadelijk na ontvangst van een beroep tot vernietiging of van een verwijzingsbeslissing onderzoeken de verslaggevers of het bij inzage van het verzoekschrift of van de verwijzingsbeslissing, duidelijk is dat het beroep of de vraag klaarblijkelijk niet ontvankelijk of niet gegrond is, dat het Grondwettelijk Hof klaarblijkelijk niet bevoegd is om er kennis van te nemen of dat de zaak lijkt te kunnen worden afgedaan met een arrest van onmiddellijk antwoord.

Art. 71. Indien het beroep tot vernietiging of de prejudiciële vraag klaarblijkelijk niet ontvankelijk lijkt of klaarblijkelijk niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort, brengen de verslaggevers hierover bij de voorzitter verslag uit binnen een termijn van maximum dertig dagen na ontvangst van het verzoekschrift of van de verwijzingsbeslissing; indien de bestreden regel tevens het onderwerp is van een vordering tot schorsing, wordt deze termijn teruggebracht tot maximum tien dagen.

De conclusies van de verslaggevers worden door de griffier ter kennis gebracht van de partijen binnen de in het eerste lid bepaalde termijn. De partijen beschikken over vijftien dagen, te rekenen van de ontvangst van de kennisgeving, om een memorie met verantwoording in te dienen.

De beperkte kamer kan dan, met eenparigheid van stemmen beslissen dat de zaak zonder verdere rechtspleging wordt afgedaan met een arrest dat het beroep of de vraag niet ontvankelijk verklaart of waarin wordt vastgesteld dat het Hof niet bevoegd is.

Wordt het voorstel om een arrest van niet-ontvankelijkheid of niet-bevoegdheid uit te spreken niet gevolgd, dan stelt de beperkte kamer dit bij beschikking vast.

Art. 72. Indien de verslaggevers oordelen dat het beroep tot vernietiging klaarblijkelijk niet gegrond is, de prejudiciële vraag klaarblijkelijk negatief moet worden beantwoord of de zaak, wegens de aard ervan of de relatieve eenvoud van de erin opgeworpen problemen, kan worden afgedaan met een arrest van onmiddellijk antwoord, brengen zij hierover bij het Hof verslag uit binnen een termijn van maximum dertig dagen na ontvangst van het verzoekschrift of de verwijzingsbeslissing; indien de bestreden regel tevens het onderwerp is van een vordering tot schorsing, wordt deze termijn teruggebracht tot maximum tien dagen.

De conclusies van de verslaggevers worden door de griffier ter kennis gebracht van de partijen binnen de in het eerste lid bepaalde termijn. Indien in de conclusies van de verslaggevers wordt voorgesteld om een schending vast te stellen van de in de artikelen 1 en 26 vermelde regels, wordt daarvan, alsmede van het beroep tot vernietiging of de beslissing die de prejudiciële vraag bevat, kennisgegeven aan de in artikel 76 vermelde partijen. De partijen beschikken over vijftien dagen, te rekenen van de ontvangst van de kennisgeving, om een memorie van verantwoording in te dienen.

Het Hof kan dan beslissen dat de zaak zonder verdere rechtspleging wordt afgedaan met een arrest van onmiddellijk antwoord of met een arrest waarin, naar gelang van het geval, het beroep niet gegrond wordt verklaard of de vraag negatief wordt beantwoord.

Wordt het voorstel om een arrest van niet-gegrondheid of een arrest van onmiddellijk antwoord uit te spreken niet gevolgd, dan stelt het Hof dit bij beschikking vast.

Art. 73. Van de arresten bedoeld in de artikelen 71, derde lid, en 72, derde lid, wordt kennis gegeven aan de partijen.

HOOFDSTUK III : BEKENDMAKING EN KENNISGEVING VAN DE BEROEPEN EN DE PREJUDICIELE VRAGEN

Art. 74. Wanneer geen toepassing is gegeven aan de artikelen 71 en 72 of na inzage van de in artikel 71, vierde lid, bedoelde beschikking of van de beschikking bedoeld in artikel 72, vierde lid, laat de griffier in het Belgisch Staatsblad, in het Nederlands, het Frans en het Duits een bericht bekendmaken waarin de indiener en het onderwerp van het beroep of van de prejudiciële vraag worden aangegeven.

Het verzoekschrift tot vernietiging kan worden geraadpleegd ter griffie van het Hof tijdens een termijn van dertig dagen vanaf de in het eerste lid bedoelde bekendmaking.

De procedure wordt voortgezet overeenkomstig de navolgende bepalingen.

Art. 75. Het Hof kan ambtshalve een advocaat aanstellen. De aanstelling zal als nietig worden beschouwd indien de belanghebbende partij een persoonlijke raadsman kiest.

De Koning bepaalt op welke wijze de bijstand zal worden verleend.

Art. 76. § 1. De griffier brengt de door de Ministerraad ingestelde beroepen tot vernietiging ter kennis van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en van de voorzitters van de wetgevende vergaderingen.

§ 2. Hij brengt de door een Gemeenschaps- of Gewestregering ingestelde beroepen tot vernietiging ter kennis van de Ministerraad en van de andere Regeringen en van de voorzitters van de wetgevende vergaderingen.

§ 3. Hij brengt de door de voorzitter van een wetgevende vergadering ingestelde beroepen tot vernietiging ter kennis van de Ministerraad, van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en van de voorzitters van de andere wetgevende vergaderingen.

§ 4. Hij brengt de door een individuele belanghebbende ingestelde beroepen tot vernietiging ter kennis van de Ministerraad en van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en van de voorzitters van de wetgevende vergaderingen.

Art. 77. De griffier brengt de verwijzingsbeslissingen ter kennis van de Ministerraad, van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen, en van de voorzitters van de wetgevende vergaderingen, evenals van de partijen in het geding voor het rechtscollege dat de verwijzingsbeslissing genomen heeft.

Art. 78. Indien een zelfde bepaling het onderwerp van een beroep tot vernietiging en van een vroegere verwijzingsbeslissing is, brengt de griffier het beroep tot vernietiging ter kennis van de partijen in het geding voor het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld. De kennisgeving vermeldt binnen welke termijn zij een memorie kunnen indienen overeenkomstig artikel 85.

Behoudens toepassing van artikel 100, doet het Hof eerst uitspraak op het beroep tot vernietiging.

HOOFDSTUK IV : HET ONDERZOEK

Art. 79. Het onderzoek is schriftelijk.

Art. 80. De kennisgevingen aan de Ministerraad worden gedaan aan het kabinet van de Eerste Minister.

De kennisgevingen aan de Gemeenschaps- en Gewestregeringen worden gedaan aan het kabinet van de voorzitter van de Regering.

De kennisgevingen aan de voorzitters van de wetgevende vergaderingen worden gedaan aan de griffie van de vergadering.

Art. 81. Elke partij die geen openbare overheid is, vermeldt in het verzoekschrift of de memorie, haar woonplaats of zetel in België dan wel de woonplaats die zij in België kiest.

Bij gebreke van een zodanige vermelding, behoeft de griffie generlei kennisgeving te doen en wordt de rechtspleging geacht op tegenspraak te worden gevoerd.

Elke kennisgeving wordt door de griffie aan de vermelde zetel of woonplaats gedaan, zelfs wanneer de partij overleden is.

Art. 82. Alle stukken van de rechtspleging worden bij een ter post aangetekende brief aan het Hof gezonden.

De verzending van elk stuk, elke kennisgeving of oproeping door het Hof wordt gedaan bij een ter post aangetekende brief met ontvangstmelding.

De termijn waarover de partijen beschikken, gaat in op de dag van ontvangst van de brief. Zo de geadresseerde de brief weigert, gaat de termijn in op de dag van de weigering.

De datum van het postmerk heeft bewijskracht zowel voor de verzending als voor de ontvangst of voor de weigering.

Art. 83. Bij ieder verzoekschrift of iedere memorie worden tien door de ondertekenaar voor eensluidend verklaarde afschriften gevoegd.

Het indienen van bijkomende afschriften kan bevolen worden.

Art. 84. De tot het Hof gerichte verzoekschriften en memories bevatten een inventaris van de tot staving aangevoerde stukken.

Elk dossier wordt toegezonden met een inventaris van de stukken waaruit het samengesteld is.

Art. 85. Binnen 45 dagen na ontvangst van de door de griffier krachtens de artikelen 76, 77 en 78 gedane kennisgevingen kunnen de Ministerraad, de Regeringen, de voorzitters van de wetgevende vergaderingen en de personen aan wie die kennisgevingen zijn gericht, een memorie bij het Hof indienen.

Wanneer de zaak een beroep tot vernietiging betreft, mogen die memories nieuwe middelen bevatten. De partijen kunnen nadien geen nieuwe middelen meer voordragen.

Art. 86. De memories bedoeld in artikel 85, die niet zijn ingediend binnen de door deze wet bepaalde termijn, worden uit de debatten geweerd.

Art. 87. § 1. Wanneer het Grondwettelijk Hof, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak doet op vragen als bedoeld in artikel 26, kan ieder die van een belang doet blijken in de zaak voor de rechter die de verwijzing gelast, een memorie aan het Hof richten binnen dertig dagen na de bekendmaking voorgeschreven in artikel 74. Hij wordt daardoor geacht partij in het geding te zijn.

§ 2. Wanneer het Grondwettelijk Hof uitspraak doet op beroepen tot vernietiging als bedoeld in artikel 1, kan ieder die van een belang doet blijken, zijn opmerkingen in een memorie aan het Hof richten binnen dertig dagen na de bekendmaking voorgeschreven in artikel 74. Hij wordt daardoor geacht partij in het geding te zijn.

Art. 88. Ieder die met toepassing van de artikelen 85 en 87 een memorie aan het Hof richt, is gehouden er het dossier bij te voegen waarover hij beschikt.

Art. 89. § 1. Wanneer het Hof, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak doet op vragen als bedoeld in artikel 26, zendt de griffier een afschrift van de ingediende memories aan de andere partijen die een verzoekschrift of een memorie hebben ingediend. Deze beschikken dan over dertig dagen vanaf de dag van ontvangst om aan de griffie een memorie van antwoord te doen geworden. Bij het verstrijken van die termijn zendt de griffier een afschrift van de ingediende memories van antwoord aan de andere partijen die een memorie hebben ingediend.

§ 2. Wanneer het Hof uitspraak doet op beroepen tot vernietiging als bedoeld in artikel 1, zendt de griffier, bij het verstrijken van de in de artikelen 85 en 87 bedoelde termijnen, een afschrift van de ingediende memories aan de verzoekende partij. Die beschikt dan over dertig dagen vanaf de dag van ontvangst om aan de griffie een memorie van antwoord te doen geworden. Bij het verstrijken van die termijn zendt de griffier een afschrift van de door de verzoekende partij ingediende memorie van antwoord aan de andere partijen die een memorie hebben ingediend. Die beschikken dan over dertig dagen vanaf de dag van ontvangst om aan de griffie een memorie van wederantwoord te doen geworden. Bij het verstrijken van die termijn zendt de griffier een afschrift van de ingediende memories aan de verzoekende partij.

Art. 89bis. De in de artikelen 85, 87 en 89 vastgestelde termijnen kunnen worden verkort of verlengd bij een met redenen omklede beschikking van de voorzitter.

Wanneer een in artikel 87 vastgestelde termijn wordt verkort of verlengd overeenkomstig het eerste lid, maakt de griffier daarvan melding in het in artikel 74, eerste lid, bedoelde bericht.

Art. 90. Na het verstrijken van de termijn bepaald in artikel 89, beslist het Hof, de verslaggevers gehoord, of de zaak al dan niet in staat van wijzen is.

De beschikking waarbij beslist wordt dat de zaak in staat van wijzen is, bepaalt de dag van de terechtzitting en vermeldt de tijdens de ingereedheidbrenging opgeworpen vragen waarop de partijen verzocht worden te antwoorden, hetzij met een aanvullende memorie die binnen de in de beschikking vastgestelde termijn moet worden ingediend, hetzij mondeling op de terechtzitting.

De beschikking waarbij beslist wordt dat de zaak niet in staat van wijzen is, vermeldt de verrichtingen die door de verslaggevers of door de griffiers moeten worden gedaan, vermeldt in voorkomend geval de middelen die, in de stand van de zaak, ambtshalve lijken te moeten worden onderzocht en verzoekt de partijen te dien aanzien een memorie in te dienen binnen de termijn die ze bepaalt. Als die verrichtingen eenmaal zijn gedaan, handelt het Hof overeenkomstig het eerste en het tweede lid.

Van de beschikkingen wordt aan de partijen kennis gegeven.

Art. 91. Het Hof beschikt over de ruimste onderzoeks- en opsporingsbevoegdheden.

Het kan met name:

1° rechtstreeks briefwisseling voeren met de Eerste Minister, met de voorzitters van de wetgevende vergaderingen en van de Regeringen en, alsmede met iedere andere openbare overheid;

2° de partijen op tegenspraak horen en zich door die partijen en door iedere openbare overheid alle de zaak betreffende stukken en gegevens doen overleggen;

3° iedere persoon horen die het nuttig acht te horen;

4° elke vaststelling ter plaatse doen;

5° deskundigen aanstellen.

Het kan, bij beschikking, aan de verslaggevers de onderzoeks- of opsporingsbevoegdheden delegeren die het bepaalt.

Art. 92. Het Hof kan beslissen dat de in artikel 91, 3° bedoelde personen onder ede worden gehoord, nadat de partijen en hun advocaten zijn opgeroepen.

In dat geval leggen zij de volgende eed af:

« Ik zweer in eer en geweten dat ik de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen », of

« Je jure en honneur et conscience de dire toute la vérité, rien que la vérité », of

« Ich schwöre auf Ehre und Gewissen, die ganze Wahrheit und nur die Wahrheit zu sagen ».

Iedere opgeroepene is gehouden te verschijnen en aan de oproeping gevolg te geven. Hij die weigert te verschijnen, de eed af te leggen of te getuigen, wordt gestraft met geldboete van zesentwintig tot honderd frank.

Van het niet-verschijnen of van de weigering om onder ede te getuigen wordt proces-verbaal opgemaakt; dit wordt gezonden aan de procureur des Konings van het arrondissement waar de persoon moest worden gehoord.

De bepalingen van het Strafwetboek betreffende valse getuigenis in burgerlijke zaken en betreffende verleiding van getuigen zijn mede van toepassing op de in dit artikel bepaalde onderzoeksprocedure.

Het proces-verbaal van het verhoor wordt getekend door de voorzitter of door de rechters van het Hof die het verhoor hebben gehouden, door de griffier en door de gehoorde personen.

Art. 93. In geval van plaatsopneming worden de partijen en hun advocaten opgeroepen.

Art. 94. Het Hof bepaalt bij beschikking de opdracht van de deskundigen die het aanstelt, alsook de termijn voor het indienen van hun verslag. De griffier geeft van dat bevel kennis aan de deskundigen en aan de partijen.

De artikelen 966 tot 970 van het Gerechtelijk Wetboek zijn mede van toepassing op de aangestelde deskundigen.

Binnen acht dagen na de in het eerste lid bedoelde kennisgeving, stellen de deskundigen, bij een ter post aangetekende brief, elke partij in kennis van de plaats, de dag en het uur waar en waarop zij hun verrichtingen zullen aanvangen.

De nodige stukken worden de deskundigen ter hand gesteld; de partijen kunnen zodanige voordrachten en vorderingen doen als zij goedvinden; melding ervan wordt gemaakt in het verslag, waarvan de inleidende gegevens ter kennis worden gebracht van de partijen.

Behoudens verhindering, door de griffier bij de indiening van het verslag vastgesteld, wordt het verslag getekend door alle deskundigen. De handtekening van de deskundigen wordt voorafgegaan door de eed:

« Ik zweer dat ik in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk, mijn opdracht heb vervuld », of

« Je jure que j'ai rempli ma mission en honneur et conscience, avec exactitude et probité », of

« Ich schwöre, daß ich den mir erteilten Auftrag auf Ehre und Gewissen, genau und erhlich erfüllt habe ».

De minuut van het verslag wordt ter griffie neergelegd. De partijen worden hiervan door de griffier in kennis gesteld.

Het Hof kan, om gewichtige redenen en bij gemotiveerde beslissing, een einde maken aan de opdracht van de deskundigen en in hun vervanging voorzien na hen te hebben gehoord. De griffier geeft van de beslissing kennis aan de deskundigen en aan de partijen.

Art. 94bis. § 1. Wanneer bij het Hof een prejudiciële vraag aanhangig wordt gemaakt die is gesteld door de Raad van State krachtens artikel 6, § 1, VIII, 5º, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, geeft de griffier kennis van de verwijzingsbeslissing overeenkomstig artikel 77.

§ 2. Binnen tien dagen na ontvangst van de kennisgeving kunnen de Ministerraad, de Regeringen, de voorzitters van de wetgevende vergaderingen en de adressaten van de kennisgevingen een memorie zenden aan het Hof.

§ 3. Bij het verstrijken van de in § 2 bedoelde termijn, beslist het Hof, na de verslaggevers te hebben gehoord, of de zaak al dan niet in gereedheid is. De beschikking waarbij wordt beslist dat de zaak in gereedheid is, bepaalt de rechtsdag van de terechtzitting. Daarvan wordt kennisgegeven aan de partijen ten minste drie dagen vóór de datum van de terechtzitting. Tijdens de termijn tussen de kennisgeving en de beschikking tot rechtsdagbepaling van de terechtzitting kunnen de partijen het dossier raadplegen op de griffie.

HOOFDSTUK V : TUSSENGESCHILLEN

Afdeling I : Betichting van valsheid

Art. 95. Ingeval een partij een overgelegd stuk van valsheid beticht, wordt de partij die het stuk heeft overgelegd, door het Hof verzocht verwijl te verklaren of zij volhardt in haar voornemen ervan gebruik te maken.

Indien de partij op dit verzoek niet ingaat of verklaart dat zij van het stuk geen gebruik wenst te maken, wordt het verworpen.

Indien zij verklaart dat zij er gebruik van wil maken en zo het stuk van wezenlijk belang is voor de oplossing van het geschil, schorst het Hof het geding tot het bevoegde rechtscollege over de valsheid uitspraak heeft gedaan; dat college doet uitspraak met voorrang boven alle andere zaken. Indien het geschil bij geen enkel rechtscollege aanhangig is gemaakt, oordeelt het Hof over de bewijskracht van het stuk.

Indien uitspraak kan worden gedaan zonder dat met het van valsheid betichte stuk rekening wordt gehouden, wordt de rechtspleging voortgezet.

Afdeling II : Hervatting van het rechtsgeding

Art. 96. Indien, vóór de sluiting van de debatten, een belanghebbende die een beroep tot vernietiging heeft ingesteld of een in artikel 87 bedoelde partij komt te overlijden, wordt de rechtspleging voortgezet zonder dat er grond is tot hervatting van het rechtsgeding.

Art. 97. Indien, vóór de sluiting van de debatten, een van de partijen in het geding voor het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld, komt te overlijden, wordt de rechtspleging voor het Hof geschorst.

De rechtspleging wordt hervat wanneer het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld, het Hof kennis geeft van de hervatting van het geding.

Afdeling III : Afstand van het geding

Art. 98. De Ministerraad, de Gemeenschaps- en Gewestregeringen, de voorzitters van de wetgevende vergaderingen kunnen afstand doen van hun beroep tot vernietiging.

Bij de mededeling die de Ministerraad en de Gemeenschaps- en Gewestregeringen van die beslissing doen aan het Hof, voegen zij een voor eensluidend verklaard afschrift van hun besluit om afstand te doen.

Indien daartoe grond bestaat, wijst het Hof de afstand toe, de andere partijen gehoord.

Art. 99. Met de afstand, aanvaard of toegelaten door het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld, komt een eind aan de rechtspleging voor het Hof.

Het rechtscollege zendt een expeditie van zijn beslissing aan het Hof.

Afdeling IV : Samenhang

Art. 100.  Het Grondwettelijk Hof in voltallige zitting kan de beroepen tot vernietiging of de prejudiciële vragen betreffende een zelfde norm waarover in een en hetzelfde arrest uitspraak dient te worden gedaan samenvoegen. In dat geval worden de zaken onderzocht door de zetel waarbij de eerste zaak is aanhangig gemaakt.

De beschikking tot samenvoeging wordt door de griffier ter kennis van de partijen gebracht.

Wanneer twee of meer zaken zijn samengevoegd, zijn de verslaggevers degenen die, overeenkomstig artikel 68, zijn aangewezen voor de zaak welke het eerst bij het Hof aanhangig is gemaakt.

Afdeling V : Wraking en verschoning

Art. 101. De rechters van het Hof kunnen worden gewraakt om de redenen die luidens de artikelen 828 en 830 van het Gerechtelijk Wetboek tot wraking aanleiding geven.

Het feit dat een rechter van het Hof heeft deelgenomen aan de totstandkoming van de wet, het decreet of de in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel die het onderwerp van een beroep tot vernietiging of van een verwijzingsbeslissing uitmaakt, vormt op zich geen reden tot wraking.

Iedere rechter van het Hof die weet dat er een reden van wraking tegen hem bestaat, moet daarvan kennis geven aan het Hof, dat beslist of hij zich van de zaak moet onthouden.

Art. 102. Hij die wil wraken, moet dit doen zodra hij van de wrakingsgrond kennis heeft.

De wraking wordt gevraagd bij een met redenen omkleed verzoekschrift aan het Hof gericht.

Nadat de wrakende partij en de gewraakte rechter zijn gehoord, wordt zonder verwijl over de wraking uitspraak gedaan.

De gewraakte rechter wordt vervangen door een andere rechter, zoals bepaald is in artikel 55, eerste lid, artikel 56 en artikel 60, al naar het geval.

HOOFDSTUK VI : TERECHTZITTING

Art. 103. De partijen die een verzoekschrift of een memorie hebben ingediend, hun vertegenwoordigers en hun advocaten worden vijftien dagen vooraf in kennis gesteld van de datum van de terechtzitting.

Samen met de kennisgeving met de datum van de terechtzitting, wordt het verslag van de verslaggevers meegedeeld aan de desbetreffende partijen.

Gedurende de in het eerste lid bepaalde termijn kunnen zij op de griffie inzage nemen van het dossier.

Art. 104. De terechtzittingen van het Hof zijn openbaar, tenzij die openbaarheid gevaar oplevert voor de orde of de goede zeden; in dat geval wordt zulks door het Hof bij een met redenen omkleed arrest verklaard.

Art. 105. De aanwezigen wonen de terechtzitting bij met ongedekten hoofde, eerbiedig en in stilte.

Alles wat de voorzitter met het oog op de handhaving van de orde beveelt, wordt stipt en terstond uitgevoerd.

Hetzelfde voorschrift wordt nageleefd in de plaatsen waar de rechters van het Hof de functies van hun ambt waarnemen.

Art. 106. Op de terechtzitting vat de verslaggever die behoort tot de groep waarvan de taal die van het onderzoek is, de feitelijke toedracht van de zaak samen en vermeldt hij de rechtsvragen die het Hof moet oplossen.

De verslaggever die behoort tot de andere taalgroep kan, in voorkomend geval, een aanvullend verslag uitbrengen.

Indien daartoe grond bestaat, hoort het Hof de personen die het besloten heeft te horen, alsook de deskundigen.

Alleen de partijen die een verzoekschrift of een memorie hebben ingediend en hun advocaten worden tot de debatten toegelaten; zij mogen alleen mondelinge opmerkingen voordragen.

De voorzitter verklaart daarna de debatten voor gesloten en stelt de zaak in beraad.

HOOFDSTUK VII : HEROPENING DER DEBATTEN

Art. 107. Het Hof kan de heropening van de debatten ambtshalve bevelen. Het moet ze bevelen alvorens te bewilligen in een exceptie of een middel waaromtrent de partijen niet in staat zijn gesteld zich te verklaren.

Het Hof bepaalt de termijnen waarbinnen de partijen een laatste memorie kunnen neerleggen.

HOOFDSTUK VIII : HET ARREST

Art. 108. De beraadslagingen van het Hof zijn geheim.

Art. 109. Onverminderd artikel 25 en artikel 6, § 1, VIII, 5°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, worden de arresten gewezen binnen zes maanden na de indiening van het beroep tot vernietiging of na ontvangst van de verwijzingsbeslissing.

Evenwel, wanneer een zaak na afloop van die termijn niet in staat van wijzen is, kan het Hof, bij een met redenen omklede beslissing, deze termijn voor de nodige tijd verlengen. Desnoods kan de verlenging worden hernieuwd, zonder dat de totale duur der verlengingen zes maanden mag overschrijden.

Art. 110. Elk arrest wordt in openbare terechtzitting uitgesproken.

Wanneer een rechter van het Grondwettelijk Hof wettig verhinderd is de uitspraak bij te wonen van een arrest waarover hij mede heeft beraadslaagd kan de voorzitter in functie een andere rechter aanwijzen om hem op het ogenblik van de uitspraak te vervangen.

Art. 111. Het arrest bevat de gronden en het beschikkend gedeelte. Het vermeldt:

1° de naam, de woonplaats, de verblijfplaats of de zetel van elk van de partijen en, in voorkomend geval, de naam en de hoedanigheid van de personen die hen vertegenwoordigen;

2° de bepalingen op het gebruik van de talen die zijn toegepast;

3° de oproeping van partijen en van hun advocaten, alsmede hun eventuele aanwezigheid op de terechtzitting;

4° de uitspraak in openbare terechtzitting, de datum daarvan en de naam van de rechters die erover hebben beraadslaagd.

Art. 112. De arresten worden door de voorzitter en de griffier getekend.

Art. 113. Van de arresten wordt door de griffier kennis gegeven:

1° aan de Eerste Minister en aan de voorzitters van de Regeringen;

2° aan de voorzitters van de Wetgevende Kamers, van het Vlaams Parlement, van het Parlement van de Franse Gemeenschap, van het Waals Parlement, van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap en van de wetgevende vergaderingen van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;

3° aan de partijen;

4° aan het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld.

Art. 114. De arresten, gewezen op beroepen tot vernietiging en op prejudiciële vragen, worden in hun geheel of bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt door toedoen van de griffier. Het uittreksel bevat de overwegingen en het beschikkende gedeelte.

Het Hof draagt zorg voor de bekendmaking ervan in een officiële verzameling.

Het deelt een afschrift mee aan de rechtscolleges die erom verzoeken.

Art. 115. De arresten zijn van rechtswege uitvoerbaar. De Koning draagt zorg voor de tenuitvoerlegging. De griffier brengt op de expedities, na het beschikkend gedeelte, en naar gelang van het geval, een der hierna volgende formules van tenuitvoerlegging aan:

« De Ministers, de leden van de Regeringen van de Gemeenschappen en van de Gewesten en de administratieve overheden zijn, wat hen betreft, gehouden te zorgen voor de tenuitvoerlegging van dit arrest. De daartoe aangezochte gerechtsdeurwaarders zijn gehouden hun medewerking te verlenen wat betreft de dwangmiddelen van gemeen recht ».

« Les Ministres, les membres des Gouvernements régionaux et de Communauté et les autorités administratives pour ce qui les concerne, sont tenus de pourvoir à l'exécution du présent arrêt. Les huissiers de justice à ce requis ont à y concourir en ce qui concerne les voies de droit commun ».

« Die Minister, die Mitglieder der Regierungen der Gemeinschaften und der Regionen und die Verwaltungsbehörden haben, was sie anbetrifft, für die Vollstreckung dieses Urteils zu sorgen. Die dazu angeforderten Gerichtsvollzieher haben betreffs der gemeinrechtlichen Zwangsmittel ihren Beistand zu leisten ».

De expedities worden afgegeven door de griffier die ze tekent en bekleedt met het zegel van het Hof, waarvan de vorm door de Koning wordt bepaald.

Art. 116. Het arrest van het Hof is definitief en niet vatbaar voor beroep.

Art. 117.  § 1. Onder voorbehoud van artikel 118 kan het Hof, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een der partijen, binnen twee weken na de kennisgeving van het arrest, de schrijf- en rekenfouten of klaarblijkelijke onnauwkeurigheden doen herstellen.

§ 2. De griffier geeft hiervan aan de partijen vooraf behoorlijk bericht; zij kunnen binnen een door de voorzitter te bepalen termijn schriftelijke opmerkingen indienen.

§ 3. Het Hof beslist in raadkamer.

§ 4. De minuut van de beschikking waarbij de verbetering wordt bevolen, wordt aan de minuut van het verbeterde arrest gehecht. Van die beschikking wordt melding gemaakt op de kant van de minuut van het verbeterde arrest.

Art. 118. Op vordering van de partijen bij het beroep tot vernietiging of van het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld, geeft het Hof een uitlegging van het arrest. De vordering tot uitlegging wordt ingesteld overeenkomstig artikel 5 of artikel 27, naar gelang van het geval. Zij wordt medegedeeld aan alle partijen in het geding.

Voor het overige is de voor het verzoekschrift tot vernietiging of voor de prejudiciële vraag voorgeschreven rechtspleging toepasselijk.

De minuut van het uitleggend arrest wordt aan de minuut van het uitgelegde arrest gehecht. Van het uitleggend arrest wordt melding gemaakt op de kant van het uitgelegde arrest.

HOOFDSTUK IX : ALGEMENE BEPALINGEN

Art. 119. De dag van de akte die het uitgangspunt is van een termijn, wordt er niet in begrepen.

De vervaldag wordt in de termijn meegerekend.

Is die dag een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt die vervaldag verplaatst tot de eerstvolgende werkdag.

Art. 120. De termijnen lopen tegen de minderjarigen, de onbekwaamverklaarden en de andere onbekwamen. Het Hof kan deze echter van het verval ontheffen wanneer vaststaat dat hun vertegenwoordiging niet was verzekerd vóór het verstrijken van de termijnen.

Art. 121. De griffie is open alle dagen behalve op zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen.

De Koning bepaalt de openingsuren.

Art. 122. Het Hof stelt zijn reglement van orde vast. Het draagt zorg voor de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

TITEL VI : SLOTBEPALINGEN

Art. 123. § 1. De kredieten die voor de werking van het Grondwettelijk Hof nodig zijn, worden uitgetrokken op de begroting van de Dotaties.

§ 2. De koninklijke besluiten betreffende het Grondwettelijk Hof worden in Ministerraad overlegd.

TITEL VII : OVERGANGSBEPALINGEN

Art. 124. ... (opgeheven)

Art. 124bis (zie art. 30bis)

Art. 125. De benoeming van de referendarissen aangeworven door het Arbitragehof op basis van de wet van 28 juni 1983 houdende de inrichting, de bevoegdheid en de werking van het Arbitragehof, wordt definitief.

Art. 126. De bepaling van artikel 41, eerste lid, betreffende het houden van een diploma van doctor of licentiaat in de rechten is niet van toepassing op de griffiers in dienst op de datum van inwerkingtreding van deze wet.

Art. 127. Opgeheven worden:

1° in het Gerechtelijk Wetboek :

a) in artikel 1082, tweede lid, gewijzigd bij de wet van 10 mei 1985, de woorden « tenzij de tweede voorziening zich uitsluitend beroept op de vernietiging door het Arbitragehof van de bepaling van een wet of een decreet die ten grondslag heeft gelegen aan de bestreden beslissing »;

b) titel VIII van Boek III en artikel 1147bis, ingevoegd bij de wet van 10 mei 1985;

2° artikel 31bis van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, ingevoegd bij de wet van 10 mei 1985;

3° de wet van 28 juni 1983 houdende de inrichting, de bevoegdheid en de werking van het Arbitragehof, gewijzigd bij de wet van 31 december 1983, met uitzondering van de artikelen 31 tot 34 en 112;

4° artikel 5 van de wet van 2 februari 1984 betreffende de wedden van de leden, de referendarissen en de griffiers van het Arbitragehof, hun voordracht en benoeming, evenals de smaad en het geweld tegen de leden van dit Hof;

5° de wet van 10 mei 1985 betreffende de gevolgen van de door het Arbitragehof gewezen vernietigende arresten.

Art. 128. Artikel 34, § 5, treedt in werking uiterlijk vanaf de derde benoeming volgend op de inwerkingtreding van de bijzondere wet van 9 maart 2003 tot wijziging van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof.


Laatst bijgewerkt op 5 maart 2014.