Basisteksten

Organieke besluiten


Koninklijk besluit van 28 september 1983 tot vaststelling van de regelen voor het leveren van het bewijs van een voldoende kennis van de Duitse taal door de kandidaat-leden van het Arbitragehof
(Belgisch Staatsblad, 23 februari 1984)

Artikel 1. Het bewijs van de voldoende kennis van de Duitse taal, bedoeld in artikel 22, § 4, van de wet van 28 juni 1983 houdende de inrichting, de bevoegdheid en de werking van het Arbitragehof, kan worden geleverd:

1° hetzij overeenkomstig het koninklijk besluit van 1 april 1970 tot regeling van de examens waarbij de doctors in de rechten in de gelegenheid gesteld worden te voldoen aan het voorschrift van lid 1 en 2 van artikel 43quinquies van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken;

2° hetzij overeenkomstig het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot vaststelling van de wijze waarop de kandidaat-raadsheren, auditeurs, griffiers of adjunct-griffiers van de Raad van State van hun kennis van de Duitse taal doen blijken;

3° hetzij door overlegging van een attest door de rector van de universiteit waaruit blijkt dat het algemeen bekend is dat betrokkene in de uitoefening van zijn ambt een passieve kennis van die taal bezit;

4° hetzij overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 28 september 1983 tot vaststelling van de regelen voor het leveren van het bewijs van een voldoende kennis van de tweede landstaal en van het Duits door de kandidaat-referendarissen bij het Arbitragehof;

5° hetzij door het slagen voor een mondeling examen over onderwerpen van algemene aard die verband houden met de bevoegdheden van het Arbitragehof.

Art. 2. Het in artikel 1, 5°, bedoelde mondeling examen wordt afgelegd voor een examencommissie die wordt voorgezeten door de Vaste Secretaris voor Werving van het Rijkspersoneel en verder bestaat uit twee hoogleraren aangeduid door de voorzitters van het Arbitragehof.

Het examen bestaat in een gesprek tijdens hetwelk de leden van de examencommissie Duits spreken en de kandidaat, naar eigen keuze, het Duits of de taal van zijn diploma gebruikt.

Art. 3. De examencommissie wordt op initiatief van de Eerste Minister samengesteld telkens wanneer het nodig is. Mocht het nodig zijn een examencommissie bijeen te roepen vooraleer het Arbitragehof is samengesteld, dan worden de leden ervan aangewezen door de Ministers van Institutionele Hervormingen, die gezamenlijk optreden.

De examencommissie zendt het proces-verbaal van haar werkzaamheden aan de Eerste Minister.

Art. 4. Met de uitzondering van de Vaste Wervingssecretaris, hebben de leden van de examencommissie recht op een vacatietoelage, gelijk aan die welke voor de examencommissie van niveau 1 bepaald is bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 april 1974 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen voor de leden, secretarissen en helpers van de examencommissies van de examens, georganiseerd of voorgezeten door de Vaste Wervingssecretaris.

De leden van de examencommissie hebben eveneens recht op de vergoeding wegens verblijfkosten en op de terugbetaling van hun reiskosten, voor de ambtenaren van rang 17 bepaald bij het koninklijk besluit van 24 december 1964 tot vaststelling van de vergoedingen wegens verblijfkosten toegekend aan de leden van het personeel der ministeries en bij het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten.

Art. 5. (…)