Basisteksten

Organieke besluiten


Koninklijk besluit van 14 april 2009 houdende uitvoering van artikel 75 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof
(Belgisch Staatsblad, 8 juni 2009)

Artikel 1. Wanneer het Grondwettelijk Hof, overeenkomstig artikel 75 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, ambtshalve een advocaat aanstelt, verzoekt het de stafhouder van de Orde van Advocaten van het gerechtelijk arrondissement van de woon- of verblijfplaats van de aanvrager die aan te wijzen. Indien de woon- of verblijfplaats van de aanvrager zich niet in België bevindt of wanneer het in het eerste lid bedoelde gerechtelijk arrondissement dat van Brussel is, legt het Grondwettelijk Hof de zaak voor aan de stafhouder van de Nederlandse Orde van Advocaten bij de Brusselse Balie of van de Franse Orde van Advocaten bij de Brusselse Balie, naargelang de gewenste taal, overeenkomstig de artikelen 62, tweede lid, 6°, en 63, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof.

Art. 2. Wanneer de persoon die moet worden bijgestaan niet voldoet aan de in artikel 508/13 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde inkomensvoorwaarden, wijst de stafhouder bedoeld in artikel 1, een advocaat aan uit de in artikel 508/7 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde lijst. In de gevallen die hij spoedeisend acht, wijst de stafhouder een advocaat aan die deelneemt aan de in voormeld artikel 508/7 bedoelde wachtdiensten. Aan de ambtshalve toegevoegde advocaat wordt een rijksvergoeding toegekend wegens de werkzaamheden waarvoor de toevoeging heeft plaatsgehad. Hoofdstuk V van het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing op deze vergoeding.

Art. 3. Wanneer de bijgestane persoon voldoet aan de bij artikel 508/13 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde inkomensvoorwaarden, wijst het bureau voor juridische bijstand van de Orde van advocaten bedoeld in artikel 1, een advocaat aan uit de in artikel 508/7 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde lijst. In de gevallen die hij spoedeisend acht, wijst de stafhouder een advocaat aan die is ingeschreven op de in voormeld artikel 508/7 bedoelde lijst en geeft hij hiervan kennis aan het bureau. Voor het overige zijn de hoofdstukken IV en V van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing.

Art. 4. De Eerste Minister en de Minister van Justitie zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.